>>>

Wensen in beeld

Wensen

Een terugkerende opgave voor communicatiespecialisten is om ‘de omgeving’ te betrekken bij beleid. Vaak betekent dat: burgers of medewerkers vragen wat ze van een voorgenomen plan of een verandering vinden. En dat is eigenlijk heel lastig. Al jaren weten we dat de vraagstelling heel bepalend is voor wat mensen zeggen. En dat mensen lang niet altijd durven zeggen wat ze vinden.

Mensen kennen zichzelf slecht
De praktijk van mensen bevragen wordt nog twijfelachtiger nu vanuit de wetenschap steeds duidelijker wordt dat mensen zichzelf eigenlijk heel slecht kennen. En dat wat ze denken te vinden niet hetzelfde is als wat ze echt willen. Wilson (Strangers to ourselves, 2002) en Gladwell (Blink, 2005) laten dat overtuigend zien. Gladwell beschrijft onderzoek van Fisman & Iyengar dat de expliciete en impliciete motieven bij partnerkeuze in kaart bracht door mensen bij speeddating te observeren. Duidelijk wordt dat er geen verband is tussen wat mensen zeggen dat ze belangrijk vinden in een persoon, en de persoon waar ze uiteindelijk voor kiezen.

For example, if Mary said at the start of the evening that she wanted someone intelligent and sincere, that in no way means she’ll be attracted only to intelligent and sincere men. It’s just as likely that John, whom she likes more than anyone else, could turn out to be attractive and funny, but not particularly smart or honest at all. (Gladwell, 2005:66)

Reconstructie
Het blijkt voor mensen ook heel moeilijk om bijvoorbeeld uit te leggen waarom ze voor bepaalde producten kiezen in een winkel – die ‘beslissingen’ neemt in heel veel gevallen het onbewuste. Het is moeilijk te beredeneren – we “reconstrueren” de beslissing vaak achteraf, en dan ook nog eens op een niet consistente en kloppende manier. Mensen geven bijvoorbeeld als argumentatie bij de keuze van boter ‘omdat ik hem beter vind smaken’, terwijl in blinde smaaktests geen verschil wordt gemeten.

Bewust en onbewust
Als mensen al in staat zijn om aan te geven wat ze goed, mooi of belangrijk vinden, dan is het vaak erg moeilijk om op voorhand alle relevante belangen mee te wegen. Zo kan je weerstand hebben tegen een gebouw (bijvoorbeeld omdat een investering in culturele leven van de stad ervoor wordt geschrapt) waar je later toch van gaat houden (bijvoorbeeld omdat het een prachtig gebouw is). Wat mensen belangrijk vinden heeft met andere woorden veel facetten, bewuste en onbewuste. Dat maakt articulatie – zeggen wat je vindt – niet gemakkelijk. Dicht bij de echte ervaring, de echte context en echt gedrag blijven, levert wellicht nog de meest betrouwbare informatie op. Ofwel: toekomstige situaties zo gedetailleerd en concreet mogelijk verbeelden is mogelijk kansrijk voor het articuleren van onbewuste belangen.

The suggestion, at least, is that if people took the time to imagine future situations in great detail […] they might be better able to recognize the feelings generated by their adaptive unconscious, and to see through the smoke screen created by analyzing reasons or by the adoption of cultural feeling rules and conscious theories. They would have better data on which to base their narrative about their feelings and reactions (Wilson, 2002: 175)

Voorbeelden
Wat goed werkt, is concrete beelden gebruiken bij discussies over bijvoorbeeld stedelijke vernieuwing, juist in de beginfase. Niet om te schetsen hoe het gaat worden, maar als een katalysator voor het uitspreken van waarden en wensen: wat spreekt je wel aan, wat niet, en vooral: waarom?

/RR